Nederlands, English
Doneer met PayPal

Geschiedenis

Het project dat tegenwoordig The Owl’s Nest heet bouwt voort op een praktische werkwijze en fysieke uitvoeringen die vanaf eind jaren negentig ontstonden rond techniek, reparatie, kennisdeling, praktisch leren en samenwerking. Mensen werkten samen aan echte technische en creatieve vraagstukken, konden zien hoe iets werkte en gaven kennis door op een manier die anderen hielp om zelf verder te kunnen.

Uit die praktijk ontwikkelde zich het deelbare werkmodel waarop het huidige project is gebouwd. Het model en de eerste fysieke uitvoeringen ervan zijn daarmee ouder dan de naam The Owl’s Nest. Die naam werd pas veel later ingevoerd om het al bestaande project een duidelijker eigen publieke identiteit te geven.

De ontwikkeling verliep niet volgens één vooraf uitgewerkt plan. De werkwijze groeide uit mensen die kennis en ervaring meebrachten, praktische en technische vraagstukken, samenwerking met organisaties en de omstandigheden waarin het werk werd uitgevoerd. Het deelbare werkmodel kreeg daardoor in de loop van de tijd verschillende concrete uitvoeringen, terwijl de onderliggende combinatie van techniek, sociale betrokkenheid, leren door doen en het delen van kennis herkenbaar bleef.

Haarlem-Overveen: waar de werkwijze ontstond

Eind jaren negentig kwamen rond de afdeling Luchtvaarttechniek van Hogeschool Haarlem werkplaatsen, laboratoria, simulatorprojecten, een vliegtuigcollectie, kantoren en gedeelde sociale ruimtes bij elkaar. De werkplaats, studentenvereniging Sipke Wynia en de vliegtuigcollectie lagen bij een zijingang aan de achterkant van het gebouw, dicht bij de bar en direct aan een route die niet alleen door studenten en medewerkers werd gebruikt.

Langs die kant van het gebouw liep een pad langs de spoorlijn tussen Zandvoort en Haarlem. Studenten, medewerkers, docenten, bezoekers en buurtbewoners gebruikten het als praktische afsnijroute tussen het station, de school, nabijgelegen straten en de omliggende buurt. Daardoor lag het technische werk niet alleen aan een interne route door de school, maar ook aan een plek waar mensen die voor iets anders onderweg waren vanzelf langs konden komen. Via de zijingang kwamen zij in de omgeving van de werkplaats, de bar, de vliegtuigcollectie en de technische projecten terecht.

Laura werkte er aan software, hardware, testsystemen en meet-, regel- en besturingstechniek. Een vroeg project was het volledig opnieuw opbouwen van een digitaal studententoetssysteem met kleine terminals, toetsenborden, displays, maatwerkinterfaces en software op de computer van de docent. Simulatorwerk, maatwerkelektronica en herbruikbare software ontwikkelden zich daarnaast.

Mensen konden terminals, cockpitdelen, kabels, tekeningen, instrumenten en onvoltooide oplossingen zien. Zij bleven staan, stelden vragen en raakten soms betrokken. De openheid van de omgeving hielp technisch werk tot een sociale en educatieve activiteit te maken. Iemand kon eerst kijken, naast een ander meewerken, zelf een stap proberen en geleidelijk genoeg begrip opbouwen om zelfstandiger verder te gaan.

In deze omgeving ontstonden belangrijke kenmerken van het werkmodel dat later explicieter zou worden beschreven: zichtbaar praktisch werk, laagdrempelige ontmoeting, leren door mee te doen, ruimte voor vragen, kennisuitwisseling tussen mensen met verschillende achtergronden en het gebruik van echte technische vraagstukken als aanleiding om samen te werken.

Piet de Wit: van open omgeving naar een eigen ruimte

Piet de Wit had jarenlang als engineer bij Hoogovens gewerkt. Hij maakte deel uit van teams die regelingen en technische systemen ontwierpen en vervolgens volgden of die ontwerpen correct werden gefabriceerd, opgesteld en ingeregeld. Voor een langdurig project werkte hij vanuit Hoogovens ook in Afrika, waar technische systemen moesten worden opgebouwd, opgesteld en in bedrijf gesteld. Zijn ervaring omvatte daardoor het hele traject van ontwerp en berekening tot fabricage, plaatsing, afstelling en dagelijks gebruik.

Nadat Piet de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt, miste hij zowel de techniek als het dagelijkse contact met mensen rond ingewikkeld werk. Omdat hij wist dat bij Hogeschool Haarlem een cockpit aanwezig was, vroeg hij of hij daarmee een simulator mocht opbouwen. Zo kwam hij terecht in de open technische omgeving waarin de praktische werkwijze verder vorm kreeg.

Piet werd een belangrijke schakel in de stap van een open omgeving rond bestaande werkplaatsen en projecten naar een eigen fysieke ruimte voor deze manier van werken. Naast de simulatorruimte bevonden zich ongebruikte ruimten. Na meerdere gesprekken van Piet met het afdelingshoofd en de directie van de school kon een deel daarvan voor het project worden gebruikt.

De ruimte kreeg eigen slotcilinders, los van het sleutelsysteem dat over een groot deel van de school werd gebruikt. Daardoor kon toegang tot deze ruimte zelfstandig worden geregeld zonder dat dezelfde sleutels toegang gaven tot leslokalen, laboratoria, docentenkamers en andere delen van het gebouw.

Voordat de ruimte bruikbaar was moest zij worden ingericht. Verlichting werd aangelegd, gipsen binnenwanden werden verplaatst en de indeling werd aangepast zodat de toegangsdeur op een praktische plaats uitkwam. Tegelijk werd ruimte gemaakt voor een bestuursruimte van studentenvereniging Sipke Wynia.

Vooral de uitbreiding van verlichting en wandcontactdozen was technisch lastig, omdat elektrische groepen met verschillende leslokalen werden gedeeld en delen van de installatie tijdens het werk in gebruik en onder spanning moesten blijven.

Ook materiaal en apparatuur kwamen uit verschillende richtingen. Zandvliet Tapijt & Wonen in de Generaal Cronjéstraat schonk tapijt voor de ruimte. Hogeschool Haarlem stelde onder meer tafels, gereedschap, twee computers, een digitale Hameg-oscilloscoop, een HP-spectrum analyser, een HP-frequentiegenerator, een HP-labvoeding, een Weller WECP-20-soldeerstation en een kolomboormachine beschikbaar.

Daarmee kreeg de werkwijze voor het eerst een duidelijker zelfstandige fysieke omgeving. De eigen ruimte was meer dan een plek om apparatuur neer te zetten: zij maakte het mogelijk dat technisch werk, uitleg, leren, ontmoeten en gezamenlijk experimenteren een continuere plaats kregen naast de bestaande simulator- en schoolomgeving.

De eerste fysieke uitvoering van het later beschreven deelbare werkmodel bestond daarmee al vóór de formele oprichting van de stichting en ruim vóór de invoering van de naam The Owl’s Nest.

Een dagelijks geopende technische en sociale ruimte

Na de inrichting werd de ruimte dagelijks opengehouden door een team van studenten en vrijwilligers, onder wie Piet de Wit, Laura, Robert, Martin, Vincent en Cedric. Daardoor was het geen ruimte die alleen voor een gepland project of op afspraak werd geopend. Mensen konden binnenlopen, zien waar anderen mee bezig waren, een vraag stellen, zelf aan iets werken of geleidelijk bij een bestaand project betrokken raken.

Er kwamen dagelijks studenten uit verschillende delen van Hogeschool Haarlem langs. Daaronder waren studenten van Elektrotechniek, waaronder informatica en elektronica, Scheepsbouwkunde, Werktuigbouwkunde en Luchtvaarttechnologie, maar ook studenten van de aangrenzende HEAO. Daarnaast kwamen buurtbewoners, vrienden, familieleden en kennissen binnen. Mensen met verschillende opleidingen, leeftijden en achtergronden kwamen daardoor in dezelfde ruimte met elkaar in contact.

Wat er werd gedaan was even uiteenlopend. Studenten gebruikten de ruimte voor opdrachten en technische projecten uit hun opleiding wanneer zij liever hier werkten dan thuis of in een open practicumlokaal. Daarnaast werkten mensen er aan eigen, zelfbedachte projecten vanuit persoonlijke interesse of hobby, en aan reparaties en praktische technische problemen die zij zelf meebrachten. Zo werd een zelfgebouwde draagbare computer gemaakt uit onder meer een attachékoffer, moederbord, plat scherm en voeding, werd gewerkt aan zelfbouwluidsprekers, werden computers uitgebreid en aangepast en werden huishoudelijke apparaten onderzocht en gerepareerd. Projecten hoefden daarbij niet uit dezelfde technische discipline te komen om naast elkaar in dezelfde omgeving te kunnen bestaan.

Ook grotere en minder gebruikelijke projecten kwamen binnen. Een voorbeeld was de restauratie van een grote transportbakfiets voor de Bakfietsband. Dit was een mobiele podiumconstructie van ongeveer het formaat van een kleine auto, met een grote draagvloer waarop onder meer instrumenten, apparatuur en muzikanten plaats konden vinden en met een lange stalen stuurbeugel. Daarmee verschilde hij sterk van het type compacte cargobakfiets dat tegenwoordig meestal met het woord bakfiets wordt bedoeld.

Die verscheidenheid was kenmerkend voor de ruimte. Een opdracht uit een opleiding, een eigen interesse- of hobbyproject, een reparatie, een muziekinstallatie of een praktisch probleem uit de buurt kon allemaal aanleiding worden om gereedschap te gebruiken, iets uit te zoeken en kennis met anderen uit te wisselen. Mensen kwamen daardoor niet alleen voor wat de ruimte zelf organiseerde; zij brachten ook hun eigen vragen, projecten en ervaring mee en veranderden daarmee voortdurend wat er op dat moment te leren en te doen was.

Piet de Wit: techniek, mensen en continuïteit

Piet betrok Hüseyin en Robert bij de werkplaats. Hij moedigde Hüseyin aan om zijn opleiding niet te laten verzanden tussen losse activiteiten en projecten en hielp de betrokkenen om hun praktische werk een blijvender vorm te geven.

Zijn aandacht ging daarbij verder dan de techniek zelf. Hij benadrukte het belang van continuïteit: ruimte, gereedschap, documentatie en kennis moesten niet volledig afhankelijk worden van één andere instelling, de veranderende prioriteiten daarvan of één persoon. Ook zeggenschap over ontwerpen, documentatie, auteursrecht, mogelijke octrooien en andere resultaten speelde daarin een rol. Technische kennis moest beschikbaar kunnen blijven voor de mensen die ermee verder wilden werken.

Piets betrokkenheid bleef ook niet beperkt tot techniek en organisatie. Kenmerkend was de plastic boodschappentas die hij vrijwel altijd bij zich had, gevuld met documentatie, notities, krantenknipsels, flyers en contactgegevens. Tijdens een gesprek kon hij daar iets uit halen dat iemand verder hielp: informatie om te lezen, een organisatie om contact mee op te nemen, een voorbeeld voor een besluit of materiaal dat bij een praktisch of technisch vraagstuk van pas kwam.

Hij dacht met mensen mee en bleef betrokken bij wat er buiten het technische werk in hun leven speelde. Daarmee hielp hij een omgeving te vormen waarin mensen samen aan projecten werkten en tegelijkertijd kennis, ervaringen en aandacht met elkaar deelden.

Laura en Piet bleken op exact dezelfde dag jarig te zijn. Zij vierden hun verjaardagen niet langer ieder afzonderlijk in de privésfeer, maar samen in de werkplaats, met gebak en vlaai voor de aanwezigen. Zulke momenten maakten zichtbaar dat gezamenlijk technisch werk centraal kon staan terwijl persoonlijke gebeurtenissen, interesses, verlies, steun en viering eveneens een plaats hadden.

Kennis delen door kijken, doen en uitleggen

De inzet voor kennisdeling bestond al voordat het werk een formele organisatorische structuur kreeg. De kenmerken van het later beschreven deelbare werkmodel waren zichtbaar in software, hardware, praktische uitleg, reparatie, documentatie en samenwerking. Het doel was niet alleen een bruikbaar eindresultaat te bereiken. Mensen moesten ook kunnen begrijpen wat er gebeurde, zelf ervaring opbouwen en kennis weer aan anderen kunnen doorgeven.

Praktische kennis werd daarbij gezien als meer dan geschreven instructies. Zij kan worden gehoord in het geluid van een machine of versterker, gevoeld in de afstelling van een handschaaf en gezien in de kwaliteit van een soldeerverbinding. Een deel kan worden vastgelegd in tekst, tekeningen, foto’s of schema’s; een ander deel wordt vooral bruikbaar wanneer iemand met ervaring het voordoet, uitlegt en samen met een ander oefent.

De fysieke omgeving werd daardoor een plaats waar kennis tussen generaties en tussen mensen met verschillende technische, educatieve en persoonlijke achtergronden kon bewegen. Techniek was zowel onderwerp van het werk als aanleiding voor gesprek, samenwerking en wederzijds leren.

Die benadering werd ook meegenomen in andere projecten en samenwerkingen. Werk rond bijvoorbeeld Stichting Cosmicus en Stichting Witte Tulp combineerde praktische techniek, leren, begeleiding en kennisdeling op verschillende manieren. Het deelbare werkmodel bleef daarbij herkenbaar als een manier waarop mensen rond concreet werk samen konden leren en bijdragen.

Vroege uitvoeringen

De praktische werkwijze bleef niet beperkt tot de eerste ruimte in Overveen. Een latere uitvoering ontstond aan de Koningsteinstraat in Haarlem. Deze locatie bestond al tijdens het formaliseringstraject rond de stichting in 2002.

De vroege locaties in Overveen en aan de Koningsteinstraat werden door verschillende betrokkenen gedragen. Daarmee was vanaf het begin zichtbaar dat de werkwijze niet afhankelijk hoefde te zijn van één uitvoerder of één vaste plek.

Vanaf 2002 voerde de stichting zelf het deelbare werkmodel uit aan de Tugelastraat, tegenwoordig The Owl’s Nest – Tugelastraat. Deze uitvoering bestaat nog steeds en is daarmee de langst bestaande huidige uitvoering van ASK-Solutions.

Het deelbare werkmodel en de eerste fysieke uitvoeringen ervan bestonden dus al voordat de stichting zelf als operator van het werkmodel kon optreden. De ontwikkeling aan de Tugelastraat voegde daar vanaf 2002 een langdurige uitvoering aan toe die door de stichting zelf werd gedragen.

Cosmicus A340 en de vroege technische uitvoeringen

De Cosmicus A340-simulator combineerde kindereducatie, sociaal werk, vluchtsimulatie, elektronica, software, hardware en praktisch leren. Voordat delen van het project naar Amsterdam verhuisden, werd aan simulatoronderdelen gewerkt op onder meer de locatie aan de Tugelastraat en de locatie aan de Koningsteinstraat.

Daar werden elektronica gebouwd, delen van de cockpit voorbereid en samengesteld en software getest en gedebugd. De locaties boden daarmee concrete ruimte voor de uitvoering van een afzonderlijk technisch en educatief project binnen dezelfde bredere praktische werkwijze.

De locatie aan de Tugelastraat bleef zich daarna ontwikkelen als technische en digitale uitvoering. Er werden elektronica, software en technische systemen ontwikkeld en getest, apparaten met en voor mensen gerepareerd en projecten besproken, voorbereid en uitgevoerd. De locatie ondersteunt tot vandaag onder meer elektronica, digitaal werk, precisiereparatie, softwarewerk, 3D-printen, fijne houtbewerking, kleine en nauwkeurige metaalbewerkingen, technische bespreking, leren en projectcoördinatie. Sinds 2008 staat er bovendien een kleine metaaldraaibank die onder meer voor reparaties en het maken of aanpassen van kleine onderdelen wordt gebruikt.

Uitvoering op verschillende locaties

De fysieke uitvoeringen veranderden naarmate toegang tot ruimte, machines en publieke activiteit veranderde. Vanuit de vroege omgeving in Overveen en de daaropvolgende locaties ontwikkelde het werk zich verder naar langdurige en tijdelijke uitvoeringen met verschillende technische en sociale mogelijkheden.

Een kleine technische locatie kan zich richten op elektronica, precisiereparatie, software, digitaal werk en rustige begeleiding. Een grotere uitvoering kan ruimte bieden voor grotere werkbanken, hout- en metaalbewerking, machines of andere vormen van praktisch werk. De concrete mogelijkheden verschillen daardoor per operator en locatie.

Die verschillen veranderen het gedeelde model niet. Het project The Owl’s Nest is opgezet rond een deelbaar werkmodel dat in verschillende omstandigheden kan worden uitgevoerd, waarbij een operator de concrete lokale uitvoering vormgeeft.

De huidige uitvoeringen van ASK-Solutions bevinden zich onder meer aan de Tugelastraat, Paul Krugerstraat en Spaarndamseweg. Elke locatie geeft op haar eigen manier uitvoering aan het werkmodel en heeft een eigen combinatie van ruimte, apparatuur, activiteiten en mogelijkheden voor deelname.

2015: uitbreiding aan de Paul Krugerstraat

In 2015 werd het pand aan de Paul Krugerstraat aangekocht door een van de mensen die bij het werk betrokken was en tegenwoordig ook deel uitmaakt van het bestuur. De eigendom kwam bij deze persoon te liggen en het pand werd beschikbaar gesteld voor het praktische werk van de stichting. De koop vond plaats op 27 augustus van dat jaar en gaf de bestaande werkplaatspraktijk meer ruimte voor machines, werkbanken, reparatie, maken en andere technische activiteiten.

De uitbreiding bouwde voort op de veel oudere werkplaatspraktijk en de bestaande uitvoeringen. De nieuwe ruimte maakte andere soorten werk mogelijk dan een kleinere technische locatie zoals Tugelastraat en vergrootte daarmee de praktische mogelijkheden binnen hetzelfde deelbare model.

De extra ruimte maakte het ook mogelijk om grotere machines en gereedschappen die tot dan toe aan de Tugelastraat stonden te verplaatsen. Onder meer een cilinderschuurmachine, een houtdraaibank en ander groter gereedschap kregen aan de Paul Krugerstraat een geschiktere plaats. Daardoor kwam aan de Tugelastraat ruimte vrij voor verdere uitbreiding van het fijnere technische en digitale werk, waaronder het plaatsen van meerdere 3D-printers.

De aankoop werd tegelijkertijd een directe aanleiding voor gebeurtenissen die later bekend werden als The Italian Situation. Al voordat de aankoop was afgerond werd informatie verzameld nadat bekend was geworden dat een voorlopig koopcontract bestond en financiering werd geregeld.

De ervaringen die daarop volgden maakten steeds duidelijker waarom het belangrijk was dat afzonderlijke projecten, uitvoeringen, verantwoordelijkheden en publieke namen herkenbaar van elkaar konden worden onderscheiden.

Een eigen publieke naam voor het project

Lange tijd werd de praktische werkplaatslijn eenvoudig onder IRADIS en andere bestaande publieke aanduidingen zichtbaar gemaakt. Voor opleverbare projecten was een eigennaam vanzelfsprekend noodzakelijk: software, hardware, protocollen en andere afzonderlijke resultaten moesten als een herkenbaar project ontwikkeld, gebruikt en opgeleverd kunnen worden. Daardoor hadden zulke projecten al vroeg eigen namen.

Voor het langlopende praktische project rond leren, repareren, maken, samenwerken en kennisdelen was zo’n afzonderlijke naam lange tijd minder noodzakelijk. De fysieke uitvoering en de mensen die erbij betrokken waren maakten in de praktijk duidelijk over welk werk het ging.

Na The Italian Situation werd duidelijker dat ook dit uitvoeringsgerichte project een herkenbare eigen publieke naam nodig had. Daarmee kon het project zelfstandig worden aangeduid zonder het gelijk te stellen aan een rechtspersoon, een operator of één concrete locatie.

In 2022 kreeg het bestaande project de naam The Owl’s Nest. Die naam gaf een herkenbare publieke identiteit aan het project dat rond het deelbare werkmodel was gegroeid. De invoering van de naam markeert daarmee een verandering in publieke herkenbaarheid; het werkmodel en de eerste fysieke uitvoeringen zijn veel ouder.

Howard en de visuele herkenbaarheid

Begin 2019 werd Howard, de uil die later in verschillende vormen terugkomt, ontworpen als bredere mascotte voor het werk en de projecten. Howard behoort daardoor niet uitsluitend bij The Owl’s Nest.

De basisvorm wordt gebruikt voor ASK-Solutions, terwijl verschillende projecten eigen herkenbare varianten kunnen gebruiken. Bij Nocterra verschijnt Howard bijvoorbeeld met een N; voor The Owl’s Nest wordt een variant gebruikt waarin Howard een hamer vasthoudt.

Nadat The Owl’s Nest een eigen projectnaam kreeg, hielp deze variant om het project ook visueel herkenbaar te maken terwijl de relatie met de bredere oorsprong en andere projecten zichtbaar bleef.

De Howard Public Licence

De geschiedenis van kennisdeling leidde ook tot een vraag die met een fysieke ruimte alleen niet kon worden opgelost: hoe kan een werkmodel worden gedeeld en lokaal worden aangepast terwijl de mogelijkheid om het te gebruiken, voort te zetten en opnieuw te delen beschermd blijft?

Eerdere ervaringen met vrije software, vrije hardware en Creative Commons lieten zien wat verschillende vormen van auteursrechtelijke copyleft kunnen beschermen. Afhankelijk van de gekozen licentie kan wederkerigheid gelden voor broncode, teksten, tekeningen, schema’s, bronbestanden, productie-informatie en andere auteursrechtelijk beschermde documentatie. Bewerkingen kunnen daardoor onder voorwaarden geheel of gedeeltelijk onder dezelfde licentie beschikbaar moeten blijven.

Auteursrecht heeft daarbij een duidelijke grens. Het beschermt de concrete en creatieve vorm waarin iets is vastgelegd, maar niet zonder meer de onderliggende kennis, ideeën, filosofische concepten, procedures, werkwijzen of de praktische uitvoering daarvan. Een beschrijving van een werkmodel kan dus onder copyleft worden gedeeld terwijl de beschreven werkwijze zelf door een andere partij wordt uitgevoerd, gewijzigd of beëindigd zonder de oorspronkelijke documentatie te kopiëren.

Dat onderscheid is belangrijk voor een praktisch en sociaal werkmodel. Een onderwijsinstelling kan bijvoorbeeld een opleiding verplaatsen of herstructureren, een gebouw een andere functie geven en een producent kan besluiten documentatie, onderdelen of toegang tot leveranciers te beperken. Copyleft op teksten, tekeningen of bronbestanden voorkomt zulke vormen van afsluiting niet vanzelf.

De beschermingsgedachte achter de Howard Public Licence groeide mee met de langere geschiedenis van het werkmodel en met vragen rond gedeelde kennis, zelfstandigheid, continuïteit en de mogelijkheid om een werkwijze lokaal toe te passen en voort te zetten zonder dat een latere partij deze eenzijdig kan afsluiten. De HPL is de huidige uitwerking van die ontwikkeling. Zij probeert de voorwaarden rond kennisvrijheid, lokale aanpassing, algemeen nut, verantwoordelijkheid en blijvende toegang explicieter te verbinden aan het gedeelde model. Daarmee richt de HPL zich ook op omstandigheden die buiten de directe reikwijdte van auteursrechtelijke copyleft vallen.

De vastgelegde licentietekst maakt de beschermingsstructuur overdraagbaar en toepasbaar, maar de bescherming bestaat niet alleen uit een document. Zij vraagt ook om een partij die de HPL en de daarbij vastgelegde uitgangspunten beheert en bewaakt.

Binnen het project The Owl’s Nest vervult de IRADIS Foundation die beschermende rol voor het deelbare werkmodel en de verschillende uitvoeringen daarvan. De stichting beheert de HPL en de daarbij vastgelegde uitgangspunten, terwijl verschillende operators het werkmodel op verschillende locaties kunnen uitvoeren.

Die scheiding is belangrijk. Een operator kan een concrete uitvoering lokaal vormgeven, verder ontwikkelen en aanpassen binnen de geldende voorwaarden. Het beheer van de HPL blijft daarvan onderscheiden en voorkomt dat één afzonderlijke uitvoerder de gedeelde basis later eenzijdig kan afsluiten of andere operators het recht op verdere uitvoering kan ontnemen.

Daardoor beschermt de constructie niet alleen uitvoeringen die door ASK-Solutions zelf worden gedragen. Ook andere operators kunnen het deelbare werkmodel onder de HPL uitvoeren zonder voor hun blijvende recht op uitvoering afhankelijk te worden van een andere operator of locatie.

Andere organisaties en natuurlijke personen kunnen de HPL ook toepassen op een eigen project of deelbaar werkmodel. Voor zo’n toepassing moet duidelijk zijn welke natuurlijke persoon of rechtspersoon verantwoordelijkheid draagt voor de continuïteit, de toepassing van de voorwaarden en het bewaken van de bescherming binnen die context.

Het toepassen van de HPL betekent dat het bestaande beschermingsmodel en de daarbij vastgelegde uitgangspunten worden gebruikt. Die toepassing geeft een verantwoordelijke persoon, organisatie, gebruiker of operator geen bevoegdheid om de HPL zelf geheel of gedeeltelijk te wijzigen, uit te breiden, in te korten, te vereenvoudigen, te herformuleren, van een andere betekenis te voorzien, er een eigen variant van te maken of een daarvan afgeleid beschermingsmodel als HPL te presenteren. De tekst en andere auteursrechtelijk beschermde onderdelen van de HPL zijn bovendien zelf beschermd. Het maken of verspreiden van een bewerking of ander afgeleid werk waarin beschermde formuleringen, structuur of andere beschermde elementen van de HPL worden overgenomen, kan daarom eveneens aan het auteursrecht zijn gebonden. Wettelijke uitzonderingen zoals citaatrecht, parodie of, waar dat rechtsstelsel het kent, fair use geven daarbij geen algemeen of onvoorwaardelijk recht om een aangepaste of afgeleide HPL te maken.

De HPL richt zich daarmee niet alleen op het beschikbaar houden van documentatie en bronbestanden, maar op het duurzaam mogelijk maken dat kennis en werkwijzen daadwerkelijk kunnen worden bestudeerd, lokaal toegepast, aangepast, doorgegeven en voortgezet.

Wat bleef doorgaan

Namen, gebouwen, gereedschappen en publieke websites veranderden. De centrale praktijk bleef herkenbaar: mensen werken aan echte technische en creatieve vragen, kennis wordt uitgelegd in plaats van verborgen, ervaring wordt doorgegeven door te doen en persoonlijke aandacht kan naast veeleisend praktisch werk bestaan.

In de fysieke uitvoeringen van het werkmodel kunnen maken, repareren, leren en samenwerken naast elkaar plaatsvinden. Mensen kunnen binnenkomen met een praktisch probleem, nieuwsgierigheid, bestaande kennis of juist weinig technische ervaring en vanuit het concrete werk contact en begrip opbouwen.

Het project The Owl’s Nest bouwt vandaag voort op diezelfde lange lijn. De projectnaam is relatief nieuw; de onderliggende werkwijze, het deelbare model en de eerste fysieke uitvoeringen gaan terug tot de periode vóór de formele stichting.

Verder lezen

Belangrijke data en mijlpalen

Midden jaren negentig

Ervaring met software, hardware, reparatie, demoscene en systeemprogrammering, de vroege internetcultuur en gesprekken over vrijheid en gedeelde kennis vormen een deel van de achtergrond waaruit de latere praktische werkwijze groeit.

1997–1998

De open technische omgeving rond Luchtvaarttechniek van Hogeschool Haarlem brengt werkplaatsactiviteiten, simulatorprojecten, technisch onderwijs, bezoekers en mensen die later langdurig bij het werk betrokken blijven met elkaar in contact. In deze omgeving ontstaan belangrijke kenmerken van het latere deelbare werkmodel.

Eind jaren negentig

Piet de Wit raakt na zijn pensionering betrokken bij de simulatoromgeving. Mede door zijn gesprekken met het afdelingshoofd en de directie wordt naast de bestaande simulator- en werkplaatsomgeving een eigen ruimte beschikbaar gemaakt. Na verbouwing en inrichting krijgt de praktische werkwijze daar voor het eerst een duidelijk zelfstandiger fysieke uitvoering.

1999–2001

De praktische werkwijze ontwikkelt zich verder rond techniek, kennisdeling, leren en samenwerking. Naast de eerste uitvoering in Overveen ontstaat later ook een locatie aan de Koningsteinstraat.

2002

Het deelbare werkmodel en fysieke uitvoeringen ervan bestaan inmiddels al. Vanaf de oprichting van de rechtspersoon in 2002 voert de stichting het werkmodel zelf uit aan de Tugelastraat, tegenwoordig The Owl’s Nest – Tugelastraat. Deze uitvoering bestaat nog steeds en is daarmee de langst bestaande huidige uitvoering van ASK-Solutions.

Jaren 2000

Technische projecten, elektronica, reparatie, leren, begeleiding en gemeenschapsgerichte activiteiten worden vanuit verschillende praktische omgevingen uitgevoerd. De locatie aan de Tugelastraat ontwikkelt zich verder als langdurige technische en digitale uitvoering.

2008

Meer fabricage- en werkplaatsmogelijkheden worden opgebouwd voor prototyping, reparatie, maatwerkonderdelen en praktisch technisch leren.

2014

3D-printen wordt een stabiel onderdeel van praktische workflows voor prototyping, reparatie en reproductie van onderdelen.

2015 — Uitbreiding aan de Paul Krugerstraat

Op 27 augustus 2015 wordt het pand aan de Paul Krugerstraat aangekocht door een bij het werk betrokken persoon, die tegenwoordig ook deel uitmaakt van het bestuur, en beschikbaar gesteld voor het praktische werk van de stichting. De bestaande werkplaatspraktijk krijgt daarmee meer ruimte voor machines, werkbanken, reparatie, maken en andere technische activiteiten. Grotere apparatuur kan vanuit de Tugelastraat worden verplaatst, waardoor daar ruimte ontstaat voor verdere uitbreiding van onder meer 3D-printen. De aankoop vormt tevens de directe aanleiding voor de gebeurtenissen die later bekend worden als The Italian Situation.

2015–2017 — The Italian Situation

De gebeurtenissen rond The Italian Situation maken duidelijker dat uitvoeringen, projecten, verantwoordelijkheden en publieke namen beter van elkaar herkenbaar moeten zijn. Voor het lang bestaande praktische project ontstaat daardoor later de behoefte aan een afzonderlijke publieke projectnaam.

2019 — Howard

Begin 2019 wordt Howard ontworpen als bredere mascotte voor het werk en de verschillende projecten. Later ontstaan herkenbare varianten, waaronder Howard met een hamer voor The Owl’s Nest.

2022 — De naam The Owl’s Nest

Het al lang bestaande praktische project rond het deelbare werkmodel krijgt de publieke naam The Owl’s Nest. De naam maakt het project herkenbaar naast de organisatie, operators en afzonderlijke locaties. Het werkmodel en de eerste fysieke uitvoeringen waarop het project voortbouwt zijn veel ouder.

2024 — Een eigen projectsite

In februari 2024 wordt het domein the-owls-nest.nl geregistreerd. Het project krijgt daarmee een eigen publieke website waarop het deelbare werkmodel, de geschiedenis, actuele uitvoeringen, locaties, mogelijkheden en manieren van deelnemen samen kunnen worden beschreven.