The Owl’s Nest komt voort uit een werkplaatspraktijk die zich sinds eind jaren negentig heeft ontwikkeld rond techniek, reparatie, kennisdeling, praktisch leren en samenwerking. Vanuit de eerste werkplaats in Overveen ontstonden nieuwe projecten, locaties en vormen van begeleiding, terwijl de kern herkenbaar bleef: mensen werken samen aan echte technische en creatieve vraagstukken en geven kennis door op een manier die anderen helpt zelfstandig verder te kunnen.
De ontwikkeling verliep niet volgens één vooraf uitgewerkt plan. Nieuwe mogelijkheden ontstonden uit de mensen die betrokken raakten, de kennis die zij meebrachten en de omstandigheden waarin het werk plaatsvond. Daardoor veranderden locaties, projecten en organisatievormen door de jaren heen, terwijl techniek, sociale betrokkenheid en het vrij delen van kennis met elkaar verbonden bleven.
Eind jaren negentig kwamen rond de afdeling Luchtvaarttechniek van Hogeschool Haarlem werkplaatsen, laboratoria, simulatorprojecten, een vliegtuigcollectie, kantoren en gedeelde sociale ruimtes bij elkaar. De werkplaats en studentenvereniging Sipke Wynia lagen dicht bij een zijingang, de bar en routes die werden gebruikt door studenten, docenten, technisch personeel, bezoekers en mensen uit de omliggende buurt. Technisch werk was daardoor zichtbaar op een manier die voor een onderwijsomgeving ongebruikelijk was.
Laura werkte er aan software, hardware, testsystemen en meet-, regel- en besturingstechniek. Een vroeg project was het volledig opnieuw opbouwen van een digitaal studententoetssysteem met kleine terminals, toetsenborden, displays, maatwerkinterfaces en software op de computer van de docent. Simulatorwerk, maatwerkelektronica en herbruikbare software ontwikkelden zich daarnaast.
Mensen konden terminals, cockpitdelen, kabels, tekeningen, instrumenten en onvoltooide oplossingen zien. Zij bleven staan, stelden vragen en raakten soms betrokken. De openheid van de ruimte hielp technisch werk tot een sociale en educatieve activiteit te maken. Iemand kon eerst kijken, naast een ander meewerken, zelf een stap proberen en geleidelijk genoeg begrip opbouwen om zelfstandiger verder te gaan.
Piet de Wit had jarenlang als engineer bij Hoogovens gewerkt. Hij maakte deel uit van teams die regelingen en technische systemen ontwierpen en vervolgens volgden of die ontwerpen correct werden gefabriceerd, opgesteld en ingeregeld. Voor een langdurig project werkte hij vanuit Hoogovens ook in Afrika, waar technische systemen moesten worden opgebouwd, opgesteld en in bedrijf gesteld. Zijn ervaring omvatte daardoor het hele traject van ontwerp en berekening tot fabricage, plaatsing, afstelling en dagelijks gebruik.
Nadat Piet de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt, miste hij zowel de techniek als het dagelijkse contact met mensen rond ingewikkeld werk. Zijn partner, kinderen, kleinkinderen, buren en vrienden bleven belangrijk voor hem, terwijl die relaties de technische en collegiale omgeving waarin hij een groot deel van zijn werkende leven had doorgebracht niet konden vervangen. Omdat hij wist dat bij Hogeschool Haarlem een cockpit aanwezig was, vroeg hij of hij daarmee een simulator mocht opbouwen. Zo kwam hij terecht in de open werkplaatsomgeving waarin de latere stichting vorm begon te krijgen.
Piet betrok Hüseyin en Robert bij de werkplaats. Hij moedigde Hüseyin aan om zijn opleiding niet te laten verzanden tussen losse activiteiten en projecten en hielp de betrokkenen om hun praktische projecten een blijvende vorm te geven. Hij stimuleerde hen om de samenwerking te formaliseren in een zelfstandige organisatie, in plaats van het werk volledig afhankelijk te maken van een bestaande instelling.
Daarom moedigde hij de groep aan een eigen formele basis te creëren, zelfstandig subsidies aan te vragen en zorgvuldig na te denken over zeggenschap over documentatie, auteursrecht, ontwerpen, mogelijke octrooien en andere resultaten. Techniek had naast fysieke ruimte ook organisatorische en juridische continuïteit nodig. Dat werd belangrijk voor de latere ontwikkeling van de IRADIS Foundation, ASK-Solutions, de werkplaatsen en de zoektocht naar manieren om kennis beschikbaar te houden zonder dat een andere partij deze later alsnog kon afsluiten.
Piets betrokkenheid bleef niet beperkt tot techniek en organisatie. Kenmerkend was de plastic boodschappentas die hij altijd bij zich had, gevuld met documentatie, notities, krantenknipsels, flyers en contactgegevens. Tijdens een gesprek kon hij daar steeds iets uit halen dat iemand verder hielp: informatie om te lezen, een organisatie om contact mee op te nemen, een voorbeeld voor een besluit of materiaal dat bij een praktisch of technisch vraagstuk van pas kwam. Hij dacht met mensen mee, bleef betrokken bij wat er buiten de werkplaats in hun leven speelde en bood steun tijdens moeilijke perioden. Daarmee hielp hij een omgeving te vormen waarin mensen niet alleen samen aan projecten werkten, maar ook kennis, ervaringen en aandacht met elkaar deelden.
Laura en Piet bleken op exact dezelfde dag jarig te zijn. Zij vierden hun verjaardagen niet langer ieder afzonderlijk in de privésfeer, maar samen in de werkplaats, met gebak en vlaai voor de aanwezigen. Zulke momenten maakten zichtbaar wat mensen binnen de werkplaats met elkaar verbond. Gezamenlijk technisch werk stond centraal, terwijl ook persoonlijke gebeurtenissen, interesses, verlies, steun en viering er een plaats hadden. Dit droeg bij aan het soort omgeving dat de werkplaatsen verder vormgaven.
De inzet voor kennisdeling bestond al vóór het eerste contact met de notaris. Zij werd intern al als werkmodel gebruikt en via software, hardware, praktische uitleg, reparatie, documentatie en samenwerking naar buiten gecommuniceerd. Het doel was niet alleen een eindresultaat te publiceren. Mensen moesten ook de vrijheid behouden om het te begrijpen, aan te passen, te repareren, door te geven en voort te zetten.
Praktische kennis werd gezien als meer dan geschreven instructies. Zij kon worden gehoord in het geluid van een machine of versterker, gevoeld in de afstelling van een handschaaf en gezien in de kwaliteit van een soldeerverbinding. Een deel daarvan kan worden gedocumenteerd, terwijl een ander deel naast iemand met ervaring moet worden voorgedaan, geoefend en besproken. De werkplaats werd daardoor een plek waar kennis tussen generaties en tussen mensen met verschillende technische, educatieve en persoonlijke achtergronden kon bewegen.
Die benadering werd later meegenomen in projecten met Stichting Cosmicus en Stichting Witte Tulp. Zij is terug te zien in technische projecten, computerleeromgevingen, begeleiding, software- en hardwareontwikkeling en pogingen om projectkennis bruikbaar te houden voor de mensen en gemeenschappen die erbij betrokken waren.
Naarmate het werk groeide, moedigden Piet en anderen de groep aan het een zelfstandige juridische vorm te geven in plaats van het te laten verdwijnen in een school, bedrijf of tijdelijke projectstructuur. De beoogde missie combineerde gedeelde kennis, samenwerking, vrije software, vrije hardware, praktische educatie, sociale verantwoordelijkheid en technisch werk ten dienste van het algemeen belang.
Die missie bleek moeilijk uit te drukken in de toen beschikbare juridische taal. Kennisdeling werd te abstract gevonden, terwijl software, hardware, ontwerpen en diensten vooral als concrete producten of activiteiten werden behandeld. De groep onderzocht ook ideeën die leken op een licentie voor kennis, uitvindingen en praktische samenwerking. Auteursrecht kon software en documentatie beschermen, maar kennis, methoden, fysieke ontwerpen, productie-informatie en octrooivragen pasten niet in één eenvoudig mechanisme.
Het concrete Cosmicus A340-simulatorproject hielp het bredere doel juridisch herkenbaar te maken. Stichting IRADIS kreeg in 2002 rechtspersoonlijkheid en werd een formele basis van waaruit projecten, subsidieaanvragen, software, hardware, onderwijs en gemeenschapswerk konden doorgaan. De eerste statuten beschreven de simulatorgerelateerde activiteiten duidelijker dan de bredere filosofie die tot de stichting had geleid, maar het praktische werk bleef ruimer.
De Cosmicus A340-simulator combineerde kindereducatie, sociaal werk, vluchtsimulatie, elektronica, software, hardware en praktisch leren. Voordat delen van het project naar Amsterdam verhuisden, werden simulatoronderdelen voorbereid op de locaties The Owl’s Nest – Tugelastraat en, voor een deel, The Owl’s Nest – Koningsteinstraat. Er werd elektronica gebouwd, delen van de cockpit werden samengesteld en software werd getest en gedebugd. Beide locaties maakten daarmee deel uit van het technische project zelf.
In de jaren daarna werden zeer grote delen van BackPage, Synergos en later Nocterra op de locatie The Owl’s Nest – Tugelastraat ontwikkeld, getest, besproken en in gebruik genomen. Spelcomputers, radio’s, laptops, tablets en andere apparatuur werden er met en voor mensen gerepareerd. De locatie ondersteunde elektronica, digitaal werk, precisiereparatie, softwareontwikkeling, technische bespreking, leren en projectcoördinatie.
De locatie aan de Tugelastraat maakt sinds het begin van de jaren 2000 deel uit van dezelfde doorlopende werkplaatspraktijk. Er werden en worden elektronica, software en technische systemen ontwikkeld en getest, apparaten met en voor mensen gerepareerd en projecten besproken, vormgegeven en uitgevoerd. The Owl’s Nest – Tugelastraat is daarmee de langst gevestigde van de huidige locaties.
De fysieke werkplaatsomgevingen veranderden naarmate de toegang tot ruimte, machines en publieke activiteit veranderde. De werkplaatspraktijk ontwikkelde zich verder vanuit Haarlem-Overveen, via een latere locatie in het Rozenprieel, naar de huidige locaties aan de Tugelastraat, Paul Krugerstraat en Spaarndamseweg. Sommige locaties boden grote hallen en zware apparatuur; andere ondersteunden gedetailleerd technisch werk, digitale ontwikkeling, reparatie, leren of rustige kleinschalige deelname.
De verschillende locaties boden ieder ruimte aan andere soorten werk, projecten en deelname. Nieuwe werkplaatsen breidden de bestaande mogelijkheden uit, terwijl de technische, sociale en educatieve lijnen tussen de locaties herkenbaar bleven.
Door de jaren heen werden werkplaatsactiviteiten, vrije-softwareontwikkeling, digitale zelfredzaamheid, technisch werk en organisatorische en beheertaken vaak onder dezelfde naam naar buiten gebracht. De gebeurtenissen rond The Italian Situation maakten zichtbaar dat activiteiten, locaties, personen en verantwoordelijkheden duidelijker van elkaar moesten worden onderscheiden, terwijl de gezamenlijke uitgangspunten en historische samenhang herkenbaar bleven.
The Owl’s Nest biedt de werkplaatsactiviteiten een eigen publieke identiteit. De naam verbindt fysieke werkplaatsen, technische en digitale locaties, reparatie met en voor mensen, praktische educatie, gedeeld gereedschap en zorgvuldig afgestemde deelname. De omschrijving als gedeeld model helpt de gezamenlijke uitgangspunten te onderscheiden van de specifieke invulling op één adres.
Dezelfde ontwikkeling is zichtbaar in de Howard Public Licence. Eerdere experimenten met vrije software, open hardware en Creative Commons lieten zien wat verschillende vormen van auteursrechtelijke copyleft kunnen beschermen. Afhankelijk van de gekozen licentie kan de wederkerigheid breed gelden voor afgeleide werken, slechts op bepaalde onderdelen of onder aanvullende beperkingen. Broncode, teksten, tekeningen, schema’s, bronbestanden, productie-informatie en documentatie kunnen zo onder voorwaarden worden gedeeld die bewerkingen geheel of gedeeltelijk onder dezelfde licentie beschikbaar houden.
Daar ligt tegelijk een belangrijke grens. Auteursrecht beschermt de concrete en creatieve vorm waarin iets is vastgelegd, maar niet de onderliggende kennis, ideeën, filosofische concepten, procedures, werkwijzen of uitvoering als zodanig. Een boek, ontwerpdocument of handleiding kan auteursrechtelijk beschermd zijn, terwijl de beschreven praktijk door anderen kan worden overgenomen, veranderd, beperkt of geheel beëindigd. Een onderwijsinstelling kan een opleiding verplaatsen of herstructureren, een gebouw een andere functie geven en een producent of aandeelhouder kan besluiten documentatie, onderdelen of toegang tot leveranciers te beperken. Copyleft op de oorspronkelijke teksten, tekeningen of bronbestanden voorkomt zulke vormen van afsluiting niet vanzelf.
Die wederkerigheid blijft echter verbonden aan materiaal waarop auteursrecht of vergelijkbare rechten rusten. Zij beschermt de concrete vorm waarin kennis is vastgelegd, niet de kennis, het concept, de methode of de uitvoering zelf. Een beschrijving van een werkplaatsmodel kan onder copyleft worden gedeeld, terwijl een organisatie de beschreven werkwijze toch kan overnemen, beperken, anders uitvoeren of beëindigen zonder de oorspronkelijke documentatie te kopiëren.
De HPL is vanuit dat bredere vraagstuk ontwikkeld. Zij probeert niet alleen bronbestanden, ontwerpen en documentatie beschikbaar te houden, maar ook de principes rond kennisvrijheid, lokale aanpassing, algemeen nut, verantwoordelijkheid en blijvende toegang duidelijker vast te leggen. Daarmee beschrijft zij ook wat buiten de directe reikwijdte van auteursrechtelijke copyleft valt: de omstandigheden waaronder kennis daadwerkelijk kan worden gebruikt, doorgegeven, aangepast en lokaal voortgezet.
De HPL gaat daarom verder dan het onder copyleft beschikbaar stellen van documentatie. De vastgelegde tekst maakt het beschermingsmodel overdraagbaar en aanpasbaar, maar vormt niet op zichzelf de volledige bescherming. Die ontstaat doordat een rechtspersoon verantwoordelijkheid draagt voor de kennis, de werkwijze, de continuïteit en de voorwaarden waaronder anderen daarvan gebruik kunnen maken.
Bij The Owl’s Nest en de daaraan verbonden projecten vervult de stichting die beschermende rol. Projecten, kennis en lokale werkvormen kunnen onder haar verantwoordelijkheid worden ontwikkeld en voortgezet. Andere uitvoerders kunnen binnen deze bescherming werken of een eigen HPL-implementatie opzetten, waarbij een andere rechtspersoon dezelfde verantwoordelijkheid op zich neemt.
De gecopylefte tekst maakt het mogelijk om het model te bestuderen, over te nemen en lokaal aan te passen. De daadwerkelijke bescherming ligt in de combinatie van die vastgelegde voorwaarden met een organisatie die ze bewaakt, toepast en verdedigt. Daarmee richt de HPL zich niet alleen op documenten en bronbestanden, maar op het duurzaam beschikbaar houden van kennis en werkwijzen in de praktijk.
Namen, gebouwen, gereedschappen en publieke websites veranderden. De centrale praktijk bleef bestaan: mensen werken aan echte technische en creatieve vragen, kennis wordt uitgelegd in plaats van verborgen, ervaring wordt doorgegeven door te doen en persoonlijke aandacht kan naast veeleisend praktisch werk bestaan. De werkplaats is een plaats om te maken en repareren, en ook een plaats waar mensen door gedeeld werk, gesprek, verantwoordelijkheid en onderlinge steun verbonden kunnen raken.
Ervaring met software, hardware, reparatie, demoscene en systeemprogrammering, de vroege internetcultuur en gesprekken over vrijheid en gedeelde kennis vormen een deel van de achtergrond waaruit de latere werkplaatsen groeien.
De open technische omgeving rond Luchtvaarttechniek van Hogeschool Haarlem brengt werkplaatsactiviteiten, simulatorprojecten, technisch onderwijs, bezoekers en de latere oprichters met elkaar in contact.
Piet de Wit gaat na zijn pensionering aan de slag rond de simulatoromgeving en helpt technische praktijk, persoonlijke ondersteuning en de noodzaak van een zelfstandige organisatievorm met elkaar te verbinden.
Het werk wordt geformaliseerd via Stichting IRADIS. De Cosmicus A340-simulator wordt een vroege gesubsidieerde projectlijn en The Owl’s Nest – Tugelastraat ontwikkelt zich tot een vaste technische en digitale werkplaatslocatie.
Simulatorontwikkeling, elektronica, reparatie, maatschappelijke projecten, BackPage en Synergos lopen door naast leren en gedeeld technisch werk.
3D-printen en digitale fabricage groeien verder, Nocterra volgt de eerdere publicatiesystemen op en de werkplaatspraktijk blijft zich over verschillende technische, digitale en maatschappelijke projecten ontwikkelen.
Met de locatie The Owl’s Nest – Paul Krugerstraat krijgt de bestaande werkplaatspraktijk meer ruimte voor praktisch en technisch werk. Deze uitbreiding bouwt voort op het werk dat eerder in Overveen, het Rozenprieel en aan de Tugelastraat is ontwikkeld.
In de periode die bekend werd als The Italian Situation werd duidelijk dat het onder één naam presenteren van werkplaatsactiviteiten, vrije-softwareontwikkeling, digitale zelfredzaamheid, technisch werk en organisatorische taken onvoldoende zichtbaar maakte hoe de verschillende activiteiten, locaties en verantwoordelijkheden zich tot elkaar verhielden. Deze ervaring leidde tot een duidelijkere publieke naamgeving en afbakening, met behoud van de gezamenlijke uitgangspunten en historische samenhang.
Het uilenlogo, Howard, wordt in 2019 getekend en vormt later de visuele basis voor een herkenbare publieke identiteit rond de werkplaatsen.
In 2022 wordt The Owl’s Nest gekozen als herkenbare publieke naam voor de werkplaatsactiviteiten. De naam maakt het mogelijk deze activiteiten duidelijker te onderscheiden van andere onderdelen en projecten van ASK-Solutions, zonder de historische samenhang of gedeelde uitgangspunten los te laten.
In februari 2024 wordt het domein the-owls-nest.nl geregistreerd. Daarmee krijgt de werkplaatspraktijk een eigen publieke plek waarop de geschiedenis, locaties, mogelijkheden en manieren van deelnemen samen kunnen worden beschreven.